Sangster Juridische Dienstverlening maakt gebruik van cookies.×

Kostendelersnorm: uitzonderingssituatie of toch niet?

Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden. Vanaf die datum is de kostendelersnorm van toepassing wanneer twee of meerdere personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dit is alleen anders als een van de uitzonderingssituaties zoals genoemd in artikel 22a, vierde lid, van de Participatiewet, van toepassing is. Voor uitkeringsgerechtigden die op 1 januari 2015 al een bijstandsuitkering hadden, gold een overgangstermijn tot 1 juli 2015. De wetgever heeft de kostendelersnorm ingevoerd met de gedachte dat kosten gedeeld kunnen worden wanneer men gezamenlijk in een woning woont.

In het afgelopen jaar heb ik meerdere (bezwaar- en) beroepszaken over de toepassing van de kostendelersnorm behandeld. Zo ook het geval waarin een college (die ik vertegenwoordigde) het besluit had genomen de bijstandsuitkering van een betrokkene met ingang van 1 juli 2015 te verlagen naar de kostendelersnorm in verband met het feit dat de meerderjarige zoon van betrokkene inwonend was.

De betrokkende kwam hiertegen (na bezwaar) in beroep en betoogde dat haar zoon een kamer huurde in de woning waar zij ook woont en dat haar zoon met ingang van 1 januari 2015 een commerciële huurovereenkomst heeft met de verhuurder. Omdat dat een van de uitzonderingssituaties is zoals genoemd in artikel 22a, vierde lid, van de Participatiewet, leek het een uitgemaakte zaak. Niets was echter minder waar. Ondanks dat er een huurcontract overgelegd was, kon van enige betaling van de huur aan de verhuurder geen bewijsstuk overgelegd worden. De zoon bleek voor 1 januari 2015 bij betrokkene ingewoond te hebben. Daarnaast bleek ook dat deze inwonende zoon in het voorjaar van 2015 een bijstandsuitkering had aangevraagd. Daarbij had hij aangegeven dat hij geen woonlasten had en geen spaartegoeden. Bij een aanvraag voor kwijtschelding voor gemeentelijke belastingen had de inwonende zoon aangegeven dat hij bij zijn moeder inwoonde en geen eigen inkomen had.

Op grond van deze feiten oordeelde de rechter dat het niet aannemelijk was dat er daadwerkelijk huur werd betaald door de inwonende zoon en ook niet dat er daadwerkelijk sprake was van een commerciële huurovereenkomst. Er was geen aanleiding om aan te nemen dat de situatie gewijzigd was ten opzichte van de situatie van vóór 1 januari 2015. De rechter oordeelde dan ook dat er géén sprake was van een uitzonderingssituatie zoals genoemd in artikel 22a, vierde lid, van de Participatiewet. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Hieruit blijkt wel het bezit is van een commerciële huurovereenkomst, in sommige situaties toch onvoldoende is om aan te nemen dat voldaan is aan een van de uitzonderingsgevallen op grond waarvan afgeweken dient te worden van de kostendelersnorm. 


« terug naar overzicht
: mr. Sangster
: 08 augustus 2017